home | archief | Verzoek tot schorsing van het zgn. ‘Boerkaverbod’
07 oktober 2011
Permalink Afdrukken Delen op Facebook Delen op Twitter Mail een vriend

Verzoek tot schorsing van het zgn. ‘Boerkaverbod’

De Liga voor Mensenrechten had het Grondwettelijk Hof verzocht om de wet van 1 juni 2011 tot instelling van een verbod op het dragen van kleding die het gezicht volledig dan wel grotendeels verbergt te schorsen, in afwachting van de uitspraak over het vernietigingsverzoek.

De wet van 1 juni 2011

De Liga voor Mensenrechten is van oordeel dat de bestreden wet de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst alsook de vrijheid van meningsuiting schendt. Het verbod, dat in algemene bewoordingen werd geformuleerd, viseert duidelijk de islamitische hoofddoek van het type boerka. Deze wordt uitsluitend gedragen als veruitwendiging van een bepaalde geloofsovertuiging. Deze vaststelling alleen al volstaat om te besluiten tot het bestaan van een beperking op de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst.

Het dragen van gezichtsverhullende kledij komt ook buiten een bepaalde strekking van de islamitische eredienst veelvuldig terug in manifestaties met een artistiek, levensbeschouwelijk of politiek karakter. De bestreden wet verbiedt iedere dracht van gezichtsverhullende kledij en in alle voor het publiek toegankelijke plaatsen. De bestreden wet houdt evident een beperking in van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, alsook in de vrijheid van meningsuiting.

Ook de vrijheid van personen en het wettigheidsbeginsel in strafzaken wordt door de bestreden wet aangetast. Het beginsel van vrije klederdracht wordt tot een uitzondering herleid en een verbod, waarvan de grenzen onduidelijk zijn, wordt de regel. De bestreden wet is een niet te verantwoorden en onevenredige inneming in het recht op vrije klederdracht als aspect van de vrijheid van de persoon.

De vage bepalingen van de wet laten niet toe de grens te bepalen vanaf wanneer een gezicht “gedeeltelijk” bedekt of verborgen is en het misdrijf bestaat. Een risico van willekeurig optreden bij het vaststellen en toepassen van de straffen kan dus niet worden uitgesloten. Hetzelfde geldt voor de herkenbaarheidsvereiste. De invulling hiervan wordt overgelaten aan de subjectieve beoordeling van diegene die de overtreding vaststelt.

De Liga voor Mensenrechten meent dat de bestreden wet uiting geeft aan de toegenomen spanning binnen de samenleving ten overstaan van de veruitwendiging van bepaalde geloofsovertuigingen door middel van klederdracht. Het hoofddoekenverbod in Antwerpen in een aantal scholen van het gemeenschapsonderwijs zijn bekende voorbeelden hiervan. De verhouding tussen kerk en staat vereist een delicate evenwichtsoefening waarbij enerzijds de vrijheid van godsdienst en anderzijds het openbaar belang dienen te worden gevrijwaard. 

Het Grondwettelijk Hof verwierp het verzoek tot schorsing

Het Grondwettelijk Hof verwierp op 5 oktober 2011 het verzoek tot schorsing van de wet van 1 juni 2011 tot instelling van een verbod op het dragen van kleding die het gezicht volledig dan wel grotendeels verbergt. Het Grondwettelijk hof zal zich later uitspreken over het verzoek tot vernietiging van de wet.

 

Je vindt het arrest van het Grondwettelijk Hof i.v.m. de verwerping van de schorsing hieronder.

Aan (E-mail adres)


Van (E-mail adres)


Bericht