home | archief | Belastingsdienst krijgt toegang tot nummerplaatherkenning: privacy says no
29 oktober 2014
Permalink Afdrukken Delen op Facebook Delen op Twitter Mail een vriend

Belastingsdienst krijgt toegang tot nummerplaatherkenning: privacy says no

ANPR-camera’s voor nummerplaatherkenning moeten gebruikt worden om meer wanbetalers van verkeersbelasting te vinden. Dat voornemen heeft Vlaams minister van Financiën Annemie Turtelboom (Open VLD) in haar beleidsverklaring opgenomen.

‘Ik wil laten onderzoeken in hoeverre de Vlaamse Belastingdienst op eenzelfde manier gebruik kan maken van de ANPR-camera’s opgesteld en gebruikt door lokale besturen en politiezones’, staat te lezen in de beleidsnota van minister Turtelboom. ‘De combinatie van de eigen ANPR’s samen met deze van de externe partners doet het aantal uitgevoerde controles exponentieel stijgen, wat de pakkans verhoogt en wat ertoe zal leiden dat de wetgeving correct zal worden nageleefd.’

De ANPR-systemen, die doorgaans worden geïnstalleerd aan op-en afritten of bij het binnenrijden van een stad of gemeente, scannen de nummerplaat van geparkeerde en/of rijdende wagens en worden ingezet voor uiteenlopende doelen, gaande van repressieve verkeershandhaving tot preventieve of informatieve verkeersmonitoring. In grootsteden wordt de ANPR-camera eveneens ingezet voor opsporingsdoeleinden. Op het ogenblik dat een gescande nummerplaat een “hit” oplevert treedt een automatisch alarm in werking. Bij een eerstvolgende controle worden deze voertuigen prioritair aan de kant gezet. Ter rechtvaardiging van het surveillancesysteem wordt enerzijds het verhogen van de verkeersveiligheid en anderzijds het opsporen van misdadigers opgeworpen. Niet-verzekerde of niet-gekeurde wagens kunnen hiermee worden onderschept en als dusdanig uit het verkeer worden gehaald, terwijl gestolen of geseinde voertuigen makkelijker kunnen worden opgespoord.

Toch kent het systeem ook tegenkantingen, niet zelden omdat de privacy van automobilisten een stevige knauw krijgt en omdat door de waaier aan toepassingsmogelijkheden van de techniek gevreesd wordt dat vooral onschuldige en niets vermoedende automobilisten ten prooi zullen vallen van alweer een nieuwe alziende Big Brother.

Wettelijk kader

Het bespioneren van burgers, ongeacht de hierbij gebruikte techniek, dient in een rechtstaat in overeenstemming te gebeuren met een aantal fundamenteel geachte beginselen. In België liggen deze criteria vervat in de Camerawet van 2007. Gezien het toepassingsgebied van voorgaande wet zich beperkt tot bewakingscamera’s, blijven de beginselen van de Privacywet en bijzondere strafwetten van toepassing op alle ANPR-camera’s met een andere finaliteit, alsook op de koppeling van de ingewonnen gegevens aan allerlei databanken. De Privacycommissie aanvaardt dat wanneer de ANPR-camera wordt ingezet voor politietaken zoals het opsporen van gestolen voertuigen, van gestolen nummerplaten of van geseinde personen, dat deze als een bewakingscamera in de zin van artikel 2 van de Camerawet kan worden beschouwd.

Over het wettelijk kader van de zogenaamde “slimme” ANPR-camera’s bestaat volgens privacyexperts echter enige onduidelijkheid. De bestaande Camerawet biedt namelijk geen sluitend antwoord op de vraag of intelligente camera’s onder het toepassingsgebied van deze wet vallen. De Camerawet zou niet aangepast zijn aan alle huidige technologische ontwikkelingen op het vlak van cameratoezicht, ondanks herhaalde betogen van Privcaycommissie-voorzitter Willem De Beuckelaere dat de privacywetten geacht worden technologieneutraal te zijn. De Privacywet fungeert ook hier als back up. Op grond van deze laatste is het ongelimiteerd verwerken van nummerplaatgegevens evenwel niet toegelaten. Elke in België bestaande privacyreglementering voorziet slechts in het controleren van burgers wanneer hiertoe een concrete aanleiding is, zijnde een redelijk vermoeden van een strafbaar feit. Preventieve controle kan bijgevolg geen gerechtvaardigde reden zijn. Het aanvaarden van dergelijke controle bij wijze van voorzorgsmaatregelen maakt van elke burger een mogelijke verdachte, wat het fundamentele vermoeden van onschuld op de helling plaatst.

Bovendien hebben ANPR-camera’s maar zin als ze gekoppeld worden aan databanken van politie, verzekeringen, DIV, enz. Ook hier stelt zich het privacyprobleem van de doelbeperking en doelbinding van databanken. Een databank moet voor een precies doel aangelegd worden en daartoe beperkt blijven, en een databank mag niet voor andere doelen gebruikt worden dan waarvoor ze is opgesteld. 

Nog problematischer wordt het wanneer de ANPR-camera’s gebruik maken van mobiele systemen, bijvoorbeeld camera’s gemonteerd op het dak van een politievoertuig. In 2009 werd de Camerawet gewijzigd om het gebruik van mobiele camera’s te reglementeren, maar de wet voorzag het gebruik van mobiele toestellen enkel in het kader van “grote volkstoelopen” (bijvoorbeeld een concert of betoging) die steeds in uitvoeringstijd zijn beperkt. Het permanent screenen van nummerplaten om niet verzekerde wagens te onderscheppen valt hier bijgevolg niet onder. Juridisch gezien is het gebruik van mobiele ANPR-camera’s dus onwettig, wat eveneens door de Privacycommissie werd bevestigd.

Wie vandaag de dag de draagwijdte en risico’s van het ANPR-systeem minimaliseert onderschat de verstrekkende potentie van het bewakingssysteem om zowel aan de grensstreek als in het binnenland alle verplaatsingen vast te leggen en te analyseren. Wanneer dergelijke info wordt gekoppeld aan allerhande registers, bijvoorbeeld de Algemene Nationale Gegevensbank, worden de controlemogelijkheden van opsporingsdiensten of overheidsinstellingen ongelimiteerd. Het grensbewakingssysteem heeft intussen al Europese ambities, en ook met de toepassing ervan op luchthavens en zeehavens wordt al duchtig geëxperimenteerd.

Dat nummerplaatherkenning bovendien aanleiding geeft tot discriminerende of stigmatiserende controles, is een bijkomstige reden tot omzichtigheid. De wettelijke criteria die het toezicht mogelijk moeten maken zullen niet zelden plaats moeten ruimen voor de persoonlijke en willekeurige interpretatie van de toezichthouders, op basis van vage vermoedens of subjectieve, vooringenomen denkbeelden. Bepaalde voertuigkenmerken of “afwijkende” verkeerspatronen kunnen volstaan om een voertuig als verdacht te beschouwen. Ook de mijne en zelfs de uwe! Als van ons een gedegen vertrouwen in de opsporingsdiensten wordt verwacht dat zij de wet correct zullen toepassen, waarom wordt dan niet voldoende vertrouwen gesteld in de burgers dat zij hetzelfde zullen doen?

Aan (E-mail adres)


Van (E-mail adres)


Bericht