home | archief | Debat ‘Minder vrijheid voor meer veiligheid?’ - Een verslag
02 december 2016
Permalink Afdrukken Delen op Facebook Delen op Twitter Mail een vriend

Debat ‘Minder vrijheid voor meer veiligheid?’ - Een verslag

Een samenwerking tussen de Liga voor Mensenrechten en de Crime and Society Research Group van de Vrije Universiteit Brussel

Donderdagavond 24 november 2016, klokslag half zeven. De Vrije Universiteit Brussel ontvangt ons in een tot de nok gevulde promotiezaal. Studenten en andere geïnteresseerden zakken af voor een debat over hét maatschappelijk vraagstuk van dit moment: hoe ver willen we gaan in het opgeven van onze vrijheden in een poging om onze veiligheid te verhogen? Hieronder een kort verslag.

Debat VUB

Inleiding: ongure tijden voor mensenrechten

Voorzitter van de Liga voor Mensenrechten, Jos Vander Velpen, geeft de aftrap. Meteen legt hij de vinger op de wonde. We leven in ongure tijden. De afkeurenswaardige aanslagen waarmee we de afgelopen jaren geconfronteerd werden, brengen de terrorismeproblematiek tot in het hart van Europa. Vrijwel onmiddellijk grijpen beleidsmakers naar de reflex om te morrelen aan duur bevochten vrijheden en grondrechten. Doel: onveiligheid – of, eerder, onveiligheidsgevoelens – de kop in drukken. In deze wedloop raken evenwichten waar decennialang voor werd gestreden – denk maar aan de scheiding der machten en de balans tussen openbaar ministerie en onderzoeksrechter – steeds meer verstoord. De opeenstapeling van repressieve maatregelen in het post-9/11-tijdperk stemt de Liga zeer onrustig. Uitbreiding van bijzondere inlichtingen- en opsporingsmethoden, plannen voor een noodtoestand, dataretentie, de regeling rond het doorgeven van gegevens van passagiers, … zijn slechts een greep uit dit spectrum. Mensenrechten dreigen hierdoor vandaag een wegwerpproduct te worden. Ook goed menende burgers zijn steeds meer bereid om hun privacy op te offeren in naam van het zo gesteld hogere doel van de veiligheid. Dat overheden hierdoor onder meer toegang (kunnen) hebben tot een gigantische hoeveelheid persoonlijke gegevens lijkt slechts weinigen te verontrusten.

"Met de opeenstapeling van repressieve maatregelen in de strijd tegen terrorisme dreigen mensenrechten een wegwerpproduct te worden."

Met deze weinig bemoedigende boodschap is de toon gezet voor het debat. In het panel zetelen experten met een uiteenlopende achtergrond: Kristof Clerix (journalist, Knack), Prof. Dr. Sofie De Kimpe (politie-experte, VUB), Prof. Dr. Paul De Hert (privacy- en strafrechtexpert, VUB), Prof. Dr. Jean-Marc Piret (rechtsfilosoof, VUB) en Jessika Soors (deradicaliseringsambtenaar, stad Vilvoorde). Het debat wordt geleid door VUB-professor en mensenrechtenspecialiste Els Dumortier. Er worden stellingen voorgelegd. De aanwezigen kunnen hun voor- dan wel afkeur laten blijken aan de hand van groene respectievelijk rode stemkaartjes.

Debat VUB

Stelling 1: 'Wie niets te verbergen heeft, hoeft ook niets te vrezen. Politie- en inlichtingendiensten moeten daarom meer en makkelijker toegang krijgen tot allerlei data – bijvoorbeeld communicatie via sociale media zoals Whatsapp – om zo potentiële terroristen en hun netwerken sneller te kunnen identificeren.'

Over deze stelling lijkt de zaal het quasi unaniem eens. Vooral rode kaartjes gaan de lucht in. Enkelen gaan daarentegen akkoord en geven inderdaad aan dat wie niets verkeerd doet, niets te vrezen heeft.

Het panel is genuanceerd. Zowel professor De Hert als professor Piret verwerpen het eerste deel van de stelling. Privacy is namelijk een uitermate belangrijk mensenrecht. De tweede helft van de stelling is volgens hen minder zwart-wit te beantwoorden. Het gaat om gelijkheid van wapens. Terroristen maken gebruik van dergelijke kanalen om te communiceren en hun snode plannen te smeden. Onze veiligheidsdiensten moeten mee kunnen met de technologische evolutie en bijgevolg ook dergelijke informaticatoepassingen kunnen onderzoeken. Het blijft hierbij echter wel van belang dat een kader gecreëerd wordt om dit op een zo kwaliteitsvolle en mensenrechtenveilige manier te doen, mét de nodige rechterlijke controle. Hoe minder er verzameld wordt, hoe kleiner overigens het risico dat openbare en private diensten dergelijke data zouden kunnen misbruiken.

Professor De Kimpe en Kristof Clerix sluiten hierbij aan. Echter, zij willen toch twee belangrijke kanttekeningen maken. Enerzijds moeten we waken over de evolutie van dergelijke mogelijkheden in de praktijk. De politie experimenteert reeds met bepaalde applicaties. Jaar na jaar gaat men hier verder in. Mensenrechtelijke bezwaren nemen zij nauwelijks mee in overweging. Anderzijds is het van belang om het volgende aan te stippen: ‘Je hebt wel iets te verbergen’. In Frankrijk zijn er bijvoorbeeld verzekeringsmaatschappijen die op basis van het facebooknetwerk van een klant diens risicoprofiel gaan bepalen. Dit is uiteraard erg verregaand en onwenselijk. Een ander voorbeeld betreft journalisten. Ook zij communiceren vaak geëncrypteerd. Door dergelijke uitbreidingen zijn ook hun contacten en werkzaamheden plots minder veilig.

"In ons land leeft het debat over privacy en mensenrechten te weinig. Wat hier vandaag aan de VUB gebeurt, is fantastisch, maar niet genoeg. Dergelijke kwesties moeten veel breder doorgang vinden in de ruime samenleving."

Stelling 2: 'Belgische jongeren die terugkomen van Syrië moeten bovenal geholpen worden om een nieuw en waardevol leven op te bouwen. De gevangenis zal hen enkel maar verder doen radicaliseren en de maatschappij meer doen haten.'

Overwegend groene kaartjes in de zaal. Toch komen er ook belangrijke, kritische kanttekeningen. Het hangt er volgens sommigen immers van af waarover het precies gaat. Voor jongeren die terugkeren en zich in het oorlogsgebied ernstig vergrijpen, lijkt een (gevangenis)straf toch de eerste aangewezen piste. Anderen, die bijvoorbeeld enkel als hospik hebben gediend, zouden dan weer eerder via het sociale veld bejegend moeten kunnen worden.

Jessika Soors neemt bevlogen het woord. Ze stelt verbaasd te zijn van het aantal groene kaartjes die de lucht in gingen. Immers, de gedachten van reïntegratie en preventie zijn niet overal zo populair. Ze sluit zich wel aan bij de nuances uit de zaal. Ze stelt dat het sociaal antwoord geen a priori status moet krijgen. Eerst en vooral is er nood aan een gedegen risk assessment en faire rechtspraak. Er moet uitgezocht worden wat een terugkeerder precies heeft gedaan in Syrië. Ook diens risicoprofiel moet in kaart worden gebracht. Sociale reïntegratie kan pas in tweede instantie overwogen worden. Dit is dan weer een kwestie van maatwerk. Belangrijke elementen om naartoe te werken zijn een woonst, een job en een stabiele gezinsomgeving.

Professor Piret sluit zich aan bij dit betoog. Het zou volgens hem immers onwenselijk en onmogelijk zijn om aan het strafrechtelijke luik voorbij te gaan. Ook dit maakt deel uit van het leven in een rechtsstaat. Hoe dan ook moet dus eerst een strafrechtelijk onderzoek gevoerd worden met de hierbij horende waarborgen (vermoeden van onschuld, materieel bewijs, …).

Jessika Soors kant zich voorts tegen de aparte vleugels in de gevangenis voor (potentiële) terroristen. Ze noemt dit een vorm van struisvogelpolitiek: mensen wegstoppen in de hoop dat het probleem op die manier verdwijnt. Dit zijn misschien beschermende maatregelen ten aanzien van andere gevangenen. Echter, de gevangenis is een voedingsbodem voor allerhande leer- en radicaliseringsprocessen, waardoor nagenoeg elke gevangene hier mogelijk vatbaar voor kan zijn. Professor De Hert voegt hieraan toe dat deradicalisering, in de brede zin van het woord, net omwille van de potentie als voedingsbodem bovenal moet starten in de gevangenis. Op dit gebied meent hij dat nog grote stappen kunnen en moeten worden gezet.

Tot slot wijst Jessika Soors op de problemen verbonden aan het label ‘terugkeerder’. Velen blijven dit, ook na een succesvolle reïntegratie, hun ganse leven met zich meedragen. Het feit dat hun naam en toenaam nogal eens verschijnen op websites en in de media werkt dit in de hand. Werkgevers, scholen en burgers hebben het vaak moeilijk om met de hiermee gepaard gaande onrust om te gaan. Het risico op marginalisering is in een dergelijke situatie reëel.

Debat VUB

Stelling 3: 'De politie moet kunnen etnisch profileren. Potentieel gevaarlijke terroristen kunnen op die manier de toegang tot gebouwen ontzegd of minstens ontmoedigd worden.'

In de zaal verschijnen voornamelijk rode kaartjes. Verschillende aanwezigen wijzen op de gevaren van zulke profilering. Dit is contraproductief. Het kan leiden tot verstoorde relaties met bepaalde bevolkingsgroepen en haat, wat radicalisering net in de hand zal werken. Men gaat er nogal vaak aan voorbij dat de meerderheid van de moslimgemeenschap ook afkeurend staat tegen radicale, terroristische ideeën of daden. Drie bijkomende, bijzonder gevatte nuances die worden gemaakt, willen we de lezer zeker niet onthouden: (1) Waarom gaat het telkens over bepaalde vormen van criminaliteit en worden dergelijke ideeën nooit geopperd in het kader van bijvoorbeeld witteboordencriminaliteit? Ook daar lijkt namelijk een duidelijk risicoprofiel te bestaan. (2) Hoe ziet dat eruit, een ‘typische’ terrorist? (3) Terreur wordt vandaag de dag enkel gelinkt aan een bepaalde afkomst, terwijl ook andere groepen (denk maar aan IRA, FARC) zich hier aan bezondig(d)en. De vraag rijst dus of etnisch profileren überhaupt wel effectief is.

"Hoe ziet dat eruit, een ‘typische’ terrorist?"

Professor De Kimpe – experte in deze thematiek – wijst erop dat wat op ons continent doorgaat onder de noemer etnisch profileren, in de Verenigde Staten wordt aangeduid met ‘racial profiling’. Dit heeft uiteraard te maken met de verschillende historische en demografische achtergrond. Wat is dit precies, etnisch profileren? Een goed voorbeeld is het systematisch toepassen van identiteitscontroles bij mensen van Noord-Afrikaanse afkomst. Professor De Kimpe sluit zich aan bij de bemerkingen uit de zaal. Aan de hand van dergelijke controles wordt een soort ‘veiligheidstheater’ gecreëerd, waarvan men zich kan afvragen of dit wel tot meer veiligheid leidt. Haar antwoord is stellig negatief. Dit zorgt voor stigmatisering, slechte relaties tussen de politie en de migrantengemeenschap, polarisatie en kan – zoals in de banlieus van Parijs – zelfs uitmonden in rellen. De politie zou beter investeren in de wijk, in goede banden, in het leren kennen van wie er in de buurt woont.

Professor De Kimpe verduidelijkt wel dat de Wet op het Politieambt een dergelijke, etnische profilering in ons land verbiedt. Op wettelijk niveau is er met andere woorden geen probleem. In de praktijk kan dit evenwel anders zijn. Probleem hierbij is dat dergelijke acties niet geregistreerd worden, het blijft dus een spel van woord tegen woord. Een reëel risico is volgens haar dat, onder impuls van een rechtsere publieke opinie, politieagenten dit meer als gerechtvaardigd gaan zien en dit bijgevolg vaker en hardhandiger zullen gaan toepassen.

Kristof Clerix brengt wat nuance aan. Hij verwijst onder meer naar het incident met de Iraanse student in Brussel van afgelopen zomer. In een context van angst, niet zo lang na de aanslagen, kan hij het misschien wel begrijpen dat alarmsignalen bij agenten wat vroeger afgaan. Professor De Kimpe reageert hierop door te stellen dat politiemensen inderdaad een stresserende job hebben. Echter, ze worden hier ook goed voor betaald en hebben een opleiding doorlopen. Het zijn met andere woorden professionals. Daar moet men van kunnen verwachten dat ze professioneel, en dus niet discriminerend, optreden.

Stelling 4: 'Cameratoezicht moet zo beperkt mogelijk blijven. Dit geeft de overheid te veel macht om het doen en laten van burgers op te volgen.'

De stemming in de zaal levert een divers beeld op. Sommigen zijn tegen meer camera’s, zowel omwille van privacy als effectiviteit (verplaatsing van criminaliteit naar niet bewaakte plaatsen). Anderen zien hier wel voordelen in. Zij stellen dat camera’s vooral nut hebben op drukke plaatsen, in risicogebieden en in grote steden.

Professor De Hert waarschuwt. Immers, camera’s zijn vandaag niet meer louter toestellen die beelden registreren. Het zijn ‘smartcamera’s’ die zo veel meer kunnen: analyseren, profileren, detecteren, enzovoort. Hij gaat absoluut akkoord met deze stelling. We weten namelijk niet wat die camera’s precies allemaal kunnen. Bovendien wijzen toepassingen in Amsterdam uit dat deze toestellen ook veel fouten maken. Hoewel het een instrument is dat dus heel wat vragen oproept, blijkt uit onderzoek toch dat dit de favoriete technologische toepassing is van politieagenten.

Jessika Soors wil in deze kwestie iets van het hart. In Brussel zijn zes verschillende politiezones. Zij hebben allen een verschillend cameranetwerk, net als de MIVB, waardoor ze geen zicht hebben op elkaars beelden.  Zij stelt dat men beter zou beginnen met de middelen die voorhanden zijn efficiënt te gebruiken. Dan zou heel wat duur politiewerk niet voor niets zijn en kunnen vrijgekomen middelen geïnvesteerd worden in preventie.

"Men zou beter beginnen met de middelen die voorhanden zijn efficiënt te gebruiken. Dan zou heel wat duur politiewerk niet voor niets zijn en kunnen vrijgekomen middelen geïnvesteerd worden in preventie."

Stelling 5: 'Bij een terroristische aanslag moet de regering de noodtoestand kunnen afkondigen. Hierdoor kunnen politiediensten en parket kort op de bal spelen via arrestaties en huiszoekingen, zonder dat daar eerst een rechter aan te pas moet komen. Uitzonderlijke daden vergen namelijk uitzonderlijke maatregelen.'

Ook deze stelling levert een ietwat gemengd beeld op in de zaal. Een aanwezige vindt dat na een aanslag wel bepaalde maatregelen moeten kunnen. Het is daarbij wel van belang dat er een duidelijk kader gecreëerd wordt met waarborgen en bepalingen tot waar men kan gaan. Hierop komt reactie. De vraag rijst immers: waar eindigt dit? Zo kunnen mensen lange tijd zonder duidelijke redenen en tussenkomst van de rechter vastgehouden worden. De negatieve impact op hun persoonlijke leven (gezin, werk, …) mag hierbij niet onderschat worden.

Professor Piret wijst erop dat het begrip ‘noodtoestand’ pluri-interpretabel is. Principieel is dit volgens hem niet onmogelijk. Ook het EVRM en BUPO-verdrag laten dit in bepaalde omstandigheden toe. Alles hangt volgens hem af van het begrenzend, constitutief kader dat hierrond geconstrueerd wordt. Ook moeten de nodige rechterlijke controles ingebouwd worden. Werken met een neerwaartse schaal voor wat de duur van de noodtoestand bij elke verlenging betreft, en een opgaande schaal voor de meerderheid die gevonden dient te worden om zulke verlenging goed te keuren, zou volgens hem een uitweg kunnen bieden. Op deze manier zou een situatie zoals in Frankrijk vermeden kunnen worden. Daar durft bijna geen parlementslid de noodtoestand namelijk nog af te schaffen, uit vrees voor negatieve reacties van de bevolking.

Debat VUB

Uitleiding: er is hoop voor mensenrechten!

'Er is hoop voor de mensenrechten!', luidt het in de uitleiding van Jos Vander Velpen. Niet alleen het panel, maar ook de aanwezigen gaven allen blijk van een diepgaand respect voor democratische en rechtsstatelijke gedachten. Het debat was rijk en genuanceerd. Na de onheilspellende woorden bij het begin van de avond keert de Liga-voorzitter dus ietwat blijmoediger gestemd huiswaarts.
 
Toch blijft er heel wat werk aan de winkel. Het mensenrechtenmiddenveld dient versterkt. Vandaar onze oproep: wees kritisch en investeer in mensenrechten!

Aan (E-mail adres)


Van (E-mail adres)


Bericht