home | archief | Wet op de bijzondere opsporingsmethoden (BOM) - Liga-standpunt
03 maart 2009
Permalink Afdrukken Delen op Facebook Delen op Twitter Mail een vriend

Wet op de bijzondere opsporingsmethoden (BOM) - Liga-standpunt

Op 21 december 2004 vernietigde het Arbitragehof, op verzoek van de Liga voor Mensenrechten, de Ligue des Droits de l’Homme l’Homme en het Syndicat des Avocats pour la Démocratie, een aantal artikelen van de BOM-wet. De wetgever kreeg tot 31 december 2005 de tijd om een reparatiewet op te stellen. Pas eind oktober werd een nieuw wetsontwerp ingediend in de Kamer. Het ontwerp moest dan ook volgens de spoedprocedure behandeld worden. Het parlement stemde hiermee in, waardoor het parlementair debat tot een minimum beperkt werd.
De Liga voor Mensenrechten stelt vast dat een gebrek aan parlementair en maatschappelijk debat stilaan een constante wordt in de totstandkoming van wetgeving in het kader van de strijd tegen het terrorisme. Gezien het vaak gaat om wetgeving die raakt aan de fundamentele rechten en vrijheden, is dit democratisch deficit des te tragischer.

Wat de BOM-wet betreft, komt de ongerustheid van de Liga voort uit drie belangrijke gebreken van het voorstel. Ten eerste is er een te grote verschuiving van bevoegdheden van de onderzoeksrechter naar het parket. Ten tweede zijn veel bepalingen in al te ruime bewoordingen gesteld, waardoor de evenredigheid in het gedrang komt. Tenslotte is het voorstel niet in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Verschuiving van bevoegdheden van de onderzoeksrechter naar het federale parket

De Liga voor Mensenrechten is vooral verontrust over de verschuiving van bevoegdheden van de onderzoeksrechter naar het federale parket. De controle door een onafhankelijke rechter is voor de Liga essentieel.
Het nieuwe wetsontwerp geeft de onderzoeksrechter meer controlebevoegdheid en voert een controle door de Kamer van Inbeschuldigingstelling in. Toch krijgt de procureur nog te veel beslissings- en controlebevoegdheden die aan de onderzoeksrechter zouden moeten toebehoren.

Een belangrijk voorbeeld hiervan is artikel 3. Dit artikel bepaalt dat de procureur de onderzoeksrechter kan vorderen om een onderzoekshandeling te stellen. Bovendien worden een hele hoop uitzonderingen opgesomd.
De Liga is van mening dat de vordering van de onderzoeksrechter niet facultatief maar verplicht moet zijn. Enkel op die manier worden de rechten van verdachten voldoende beschermd. De lijst van uitzonderingen is zo uitgebreid dat de bescherming die het artikel biedt minimaal wordt. Observatie en inkijkoperatie moeten in elk geval uit de lijst geschrapt worden. Uit het arrest van 21 december 2004 blijkt duidelijk dat het Arbitragehof van oordeel is dat hiervoor een machtiging van de onderzoeksrechter nodig is.

Ook de bevoegdheden die in artikel 5 aan de procureur toegekend worden (het verzamelen van informatie over bankrekeningen e.d. en het bevriezen van banktegoeden), zouden beter aan de controle van de onderzoeksrechter onderworpen worden. De ruime omschrijving van de bevoegdheden en de verlenging van de termijnen maken de maatregelen te verregaand.

Artikel 6§1 stelt de procureur in staat om de politie te machtigen tot een huiszoeking als deze niet in een woning plaats vindt. De Liga vindt het onderscheid dat hier gemaakt wordt tussen een woning en een andere private plaats onterecht. Het betreden van een private plaats moet in elk geval aan de machtiging van een onafhankelijke rechter onderworpen worden. Hetzelfde geldt voor de inkijkoperaties geregeld in §3.
Artikels 9, 2° en 3°, 10, 11, 12, 22, 23 en 26 worden aangevuld met artikels 235 ter en quater Sv, die een wettigheidscontrole door de Kamer van Inbeschuldigingstelling beogen. Het is niet duidelijk welke sanctie volgt als een onwettigheid vastgesteld wordt.

In deze context willen we ook herinneren aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Edwards and Lewis vs Verenigd Koninkrijk, 27 oktober 2004). Het gebruik van vertrouwelijke dossiers in strafzaken is enkel verenigbaar met artikel 6 EVRM indien het strikt noodzakelijk is en gecompenseerd wordt door een gerechtelijke procedure die voldoende tegenspraak mogelijk maakt.

Artikels 10§1 en 12§1 van het wetsontwerp bepalen dat vertrouwelijke verslagen van respectievelijk observatie en infiltratie aan de procureur overgemaakt moeten worden. De Liga meent dat het zinvol zou zijn deze ook aan de onderzoeksrechter door te geven.
We merkten al op dat de machtiging tot observatie en infiltratie door de onderzoeksrechter gegeven moet worden. Logischerwijze is het eveneens aan de onderzoeksrechter om de machtiging schriftelijk te bevestigen (art. 12 lid 3).

In artikel 13, 2° van het ontwerp (art. 47 decies Sv) worden de strafbare feiten opgesomd die een informant mag plegen. De Liga meent dat deze opsomming te ruim is. Bovendien zou het beter zijn de onderzoeksrechter op de hoogte te stellen van de strafbare feiten die de informant pleegde. Het lijkt ook zinvol om in het verslag aan de procureur te vermelden hoe aan alle voorwaarden van artikel 47 decies voldaan is. Op die manier heeft ook de onderzoeksrechter een mogelijkheid tot controle. In het huidige ontwerp is een controle door het College van Procureurs-generaal voorzien, maar geen rechterlijke toetsing. De vaststelling dat er geen problemen zijn met het vertrouwelijk dossier, mag niet tot gevolg hebben dat de informantenwerking zonder verdere controle uitgebreid kan worden.
In §7 van hetzelfde artikel wordt de magistraat die binnen het wettelijk kader een informant toelating verleent om strafbare feiten te plegen, vrijgesteld van straf. De strafbaarheid van de informant zelf wordt niet geregeld. Het gemaakte onderscheid wordt niet gerechtvaardigd.

Artikel 14 regelt de controle van het College van Procureurs-generaal over de dossiers waarin observatie, infiltratie of informantenwerking toegepast zijn. De Liga stelt voor dat het verslag van het College ook aan de deken van de onderzoeksrechters overgemaakt zou worden. Dit kan gebeuren volgens de procedure van artikelen 15 en 16 van het wetsontwerp.

Voor artikel 15bis van het wetsontwerp (art. 56 bis Sv) verwijzen we naar de commentaar bij artikel 3. De Liga is van oordeel dat voor elke observatie met technische middelen op een private plaats een machtiging van de onderzoeksrechter, zoals omschreven in artikel 17, noodzakelijk is. Artikel 17 wordt overbodig.

Tot slot een opmerking over artikel 25, dat een wijziging van artikel 79 Ger.W. doorvoert. Het tweede lid van dit artikel luidt: “In het rechtsgebied van elk hof van beroep wijst de eerste voorzitter op advies van de federale procureur onder de onderzoeksrechters één of meerdere onderzoeksrechters aan waarvan het contingent zal worden vastgesteld door de Koning”. De Liga is verontrust door het feit dat een lid van het parket invloed kan uitoefenen op de benoeming van rechters.

Schending van het evenredigheidsbeginsel

Verschillende bepalingen van het wetsvoorstel kunnen moeilijk verzoend worden met het evenredigheidsbeginsel. Hun ruime bewoordingen laten te verregaande inbreuken op de rechten van de verdachte toe. De belangrijkste voorbeelden zijn te vinden in artikels 6, 7, 9, 13, 18 en 21.

Artikels 6,18 en 21 maken huiszoeking, inkijkoperatie en direct afluisteren te allen tijde mogelijk. Deze maatregel is veel ruimer dan nodig, en dus moeilijk te verantwoorden in het licht van het evenredigheidsbeginsel.

Artikels 7 en 14 van het ontwerp voorzien de toepassing van BOM bij de opsporing van voortvluchtige personen in de strafuitvoeringsfase. De Raad van State merkte op dat hierdoor waarborgen van voorzienbaarheid, proportionaliteit en subsidiariteit ontbreken. De Liga vraagt dan ook met aandrang om het advies van de Raad te volgen.

In artikel 9,1° wordt gesteld dat “een toestel gebruikt voor het nemen van foto’s” geen technisch hulpmiddel is. Ook hier zijn er dus geen waarborgen voor de proportionaliteit en subsidiariteit van het gebruik van fotocamera’s.

Tot slot herinneren we aan artikel 13, dat te veel strafbare feiten toelaat voor informanten.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Hoewel het bewijsrecht niet geregeld wordt in het EVRM, acht het Hof zich bevoegd om de bewijsverkrijging marginaal te toetsen in het kader van het recht op een eerlijk proces. De basisregels van het Hof zijn eenvoudig: het bewijs moet rechtmatig verkregen worden en het moet voor tegenspraak vatbaar zijn. Indien het algemeen belang dit vereist, is geheimhouding van bepaalde stukken toch mogelijk. De geheimhouding moet strikt noodzakelijk zijn en aan de verdachte moeten extra waarborgen voor een eerlijk proces geboden worden. De nationale rechter oordeelt of geheimhouding van bepaalde dossierstukken strikt noodzakelijk is. Het Europees Hof kan wel nagaan of bij deze beslissing voldoende waarborgen werden geboden voor een contradictoir debat en wapengelijkheid.
Het is onwaarschijnlijk dat de procedure, zoals geregeld in het wetsontwerp, deze toets zou doorstaan. Vertrouwelijke verslagen, opgesteld naar aanleiding van het gebruik van bijzondere onderzoeksmethoden, worden nu wel aan een wettigheidscontrole onderworpen, maar de procedure is volledig eenzijdig.

Besluit

Uit het advies van de Raad van State en uit het arrest van het Arbitragehof blijkt duidelijk dat de BOM-wet op gespannen voet staat met het recht op privacy en het recht op een eerlijk proces. Hoewel het Arbitragehof enkele zeer duidelijke richtlijnen gaf (vb. over observatie, infiltratie en informantenwerking), zijn deze niet terug te vinden in het aangepaste wetsvoorstel. Het komt ons dan ook voor dat bij de wetgever de wil ontbreekt om grondige veranderingen in het voorstel door te voeren. Dit gaat ten koste van fundamentele rechten en vrijheden.

Aan (E-mail adres)


Van (E-mail adres)


Bericht